+31 (0) 70 3644807

Prijsindices voor de uitgaven van het ministerie van Defensie

mei 17, 2017 | Nieuws |

Deze week werd het rapport over het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar een defensiespecifieke prijsindex gepubliceerd.

Alle sectoren van de economie hebben in de loop der tijd te maken met de gevolgen van geldontwaarding, ofwel inflatie. Dat geldt ook voor ministeries. Om te voorkomen dat zij hun overheidstaken niet volledig kunnen uitvoeren, kunnen zij jaarlijks worden gecompenseerd voor prijsstijgingen. Deze compensatie wordt onder andere bepaald aan de hand van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) en de Index Materiële Overheidsconsumptie (IMOC).

Het ministerie van Defensie kan, net als andere departementen, worden gecompenseerd voor de prijsontwikkeling van de uitgaven aan goederen en diensten. Het kabinet beslist daarvoor elk voorjaar over het wel of niet uitkeren van de prijsbijstelling aan departementen. De hoogte van de prijsbijstelling is afhankelijk van de raming van het CPB. Het CPB publiceert in het Centraal Economisch Plan de geraamde prijsontwikkelingen van de overheidsuitgaven voor het lopende jaar.

Alle overheidsinstanties verschillen in hun type uitgaven. Daarom zullen IMOC en IBOI voor sommige ministeries een betere benadering zijn van de ‘echte’ inflatie dan voor andere ministeries. De meeste ministeries hebben voornamelijk te maken met apparaatsuitgaven. Dit zijn uitgaven voor personeel en materieel voor het primaire proces (beleid) en voor de ondersteuning van het primaire proces (de bedrijfsvoering). Alle overige – niet aan het primaire proces gerelateerde – uitgaven zijn programmauitgaven. Het ministerie van Defensie heeft meer dan andere departementen te maken met dergelijke programma-uitgaven. Dit soort uitgaven is dermate specifiek dat de standaard prijscompensatie op basis van IMOC en IBOI mogelijk niet de meest geschikte methode is voor dit ministerie.

Het ministerie van Defensie vermoedt dat sprake is van hogere prijsstijgingen dan waarvoor zij gecompenseerd wordt, een zogeheten boven-inflatoire prijsontwikkeling van de defensie-uitgaven. Om deze redenen heeft zij het Centraal Bureau voor de Statistiek gevraagd om, als onafhankelijke partij, een defensie-specifieke prijsindex te ontwikkelen. Hiertoe heeft het CBS in 2016 een haalbaarheidsonderzoek succesvol uitgevoerd. Het CBS heeft voor de periode 2011/12 en 2014/15 een defensie-specifieke prijsindex voor exploitatie-uitgaven en een defensie-specifieke prijsindex voor investeringsuitgaven opgesteld.

Ook de NIDV is al langer van mening dat de defensie-uitgaven een boven-inflatoire prijsontwikkeling kennen. Met het nieuwe kabinet wil de NIDV graag in overleg om de beide prijsindices voor Defensie verder te ontwikkelen en ook op contracten met de defensiesector te gaan toepassen.

Archief

Categorieën

Deze week werd het rapport over het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar een defensiespecifieke prijsindex gepubliceerd.

Alle sectoren van de economie hebben in de loop der tijd te maken met de gevolgen van geldontwaarding, ofwel inflatie. Dat geldt ook voor ministeries. Om te voorkomen dat zij hun overheidstaken niet volledig kunnen uitvoeren, kunnen zij jaarlijks worden gecompenseerd voor prijsstijgingen. Deze compensatie wordt onder andere bepaald aan de hand van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) en de Index Materiële Overheidsconsumptie (IMOC).

Het ministerie van Defensie kan, net als andere departementen, worden gecompenseerd voor de prijsontwikkeling van de uitgaven aan goederen en diensten. Het kabinet beslist daarvoor elk voorjaar over het wel of niet uitkeren van de prijsbijstelling aan departementen. De hoogte van de prijsbijstelling is afhankelijk van de raming van het CPB. Het CPB publiceert in het Centraal Economisch Plan de geraamde prijsontwikkelingen van de overheidsuitgaven voor het lopende jaar.

Alle overheidsinstanties verschillen in hun type uitgaven. Daarom zullen IMOC en IBOI voor sommige ministeries een betere benadering zijn van de ‘echte’ inflatie dan voor andere ministeries. De meeste ministeries hebben voornamelijk te maken met apparaatsuitgaven. Dit zijn uitgaven voor personeel en materieel voor het primaire proces (beleid) en voor de ondersteuning van het primaire proces (de bedrijfsvoering). Alle overige – niet aan het primaire proces gerelateerde – uitgaven zijn programmauitgaven. Het ministerie van Defensie heeft meer dan andere departementen te maken met dergelijke programma-uitgaven. Dit soort uitgaven is dermate specifiek dat de standaard prijscompensatie op basis van IMOC en IBOI mogelijk niet de meest geschikte methode is voor dit ministerie.

Het ministerie van Defensie vermoedt dat sprake is van hogere prijsstijgingen dan waarvoor zij gecompenseerd wordt, een zogeheten boven-inflatoire prijsontwikkeling van de defensie-uitgaven. Om deze redenen heeft zij het Centraal Bureau voor de Statistiek gevraagd om, als onafhankelijke partij, een defensie-specifieke prijsindex te ontwikkelen. Hiertoe heeft het CBS in 2016 een haalbaarheidsonderzoek succesvol uitgevoerd. Het CBS heeft voor de periode 2011/12 en 2014/15 een defensie-specifieke prijsindex voor exploitatie-uitgaven en een defensie-specifieke prijsindex voor investeringsuitgaven opgesteld.

Ook de NIDV is al langer van mening dat de defensie-uitgaven een boven-inflatoire prijsontwikkeling kennen. Met het nieuwe kabinet wil de NIDV graag in overleg om de beide prijsindices voor Defensie verder te ontwikkelen en ook op contracten met de defensiesector te gaan toepassen.